A trip down memory lane

Van W naar L en terug. Ongeveer 70 km. Met loopschoenen aan doe ik het op enkele seconden. Van heden naar verleden en terug.

Het geheugen is iets magisch… Het ene ogenblik loop ik op de Getedijk, het andere ogenblik zit ik op de grond in een huis in E. Benen onder het salontafeltje. Mijn linkerhand op de stugge haren van een tapijt, de rechter slaat een blad om van een boek: groen-bruin stoffen kaft, daarop ‘Frans zonder moeite’ in gouden letters en enkele cirkels, wellicht een tekening van een grammofoonplaat. 35 jaar later zijn de openingszinnen van de eerste les er plots weer, zonder moeite. Nous partons pour la France. Ah, et quand partez-vous? Nous partons probablement à la fin de la semaine.

À la fin de la semaine? Nee, eerder à la fin de l’année scolaire.

Seth trekt me terug naar hier, naar nu. Hij doet het zo hard dat ik uitglijd. De hand die daarnet nog op een tapijt rustte, zoekt steun bij kiezel en modder. Ik voel het nauwelijks, ik ben alweer weg, terug naar Leuven, in het heden, maar weldra verleden, naar mijn grootvader… Als we verhuizen zal hij onze nieuwe thuis niet meer zien. En dat doet meer pijn dan de schaafwonde op mijn hand. Hij was er altijd, mijn hele leven een kritiekloze, gulle supporter op de achtergrond. Hij is er nog, nog heel even. Elk bezoek is een afscheid. We weten het allebei, maar zeggen het niet, niet met woorden, wel met de knuffel die hij vroeger nooit gaf. Kleine peter, met de grote mond en het grote-kleine hart… Hij hield van boeken, van zijn atletiekclub en van kaarten op zaterdag. Hij hield van een pintje of twee, of drie, van reizen, tuinieren en lachen. En ik… hou van hem. Zijn gezicht licht op als hij de meisjes ziet, als zijn hand de vacht van Yoshi streelt en als ik het heb over mijn nieuwe uitdaging: de marathon. Maar enkele seconden later zijn die schelmenogen weer dof. 92 jaar leven, werken en roken eisen hun tol.

De honden staan niet stil bij dergelijke gedachten, ze willen verder. Dus loop ik door, op mijn eigen pad, toch een beetje in zijn voetsporen.

14 december 2015

Insomni-ja, insomni-nee

Zodra ik lig en mijn hoofd een min of meer zachte ondergrond voelt, val ik in slaap. De meesten noemen het vast een gave, kunnen slapen ongeacht plaats of tijdstip. Toch heeft het ook nadelen. Stel… het is zaterdagavond en je lief zit naast je in de zetel, je kijkt samen naar een spannende film en in een kroelerige stemming bega je de vergissing om je hoofd op zijn schoot te leggen en dan… moet je een haast onmenselijke krachtinspanning leveren om je ogen open te houden. Ze worden zwaar, ontzettend zwaar. Maar je geeft er niet aan toe. Je bent sterker dan de slaap. Je blijft kijken. Met één oog. Dan kan het andere ondertussen even rusten. De slaap trekt en sleurt, maar je geeft niet toe. Je sluit ook het andere oog even en blijft luisteren naar de dialogen. Een film hoef je immers niet te zien om te weten wat er gebeurt. En alsof dat alles nog niet vermoeiend genoeg is moet je bovendien voldoende alert blijven om op het juiste ogenblik vragen te beantwoorden. Nee, ik slaap niet. Ja, ik ben nog aan het volgen. Ik kom zo ook naar bed… zodra ik weer wakker ben.

Gisteren liet de gave me in de steek. Liggen? Check. Hoofd op kussen? Check. En toch klaarwakker, een hele nacht, met gedachten die kilometers aflegden, van W naar S en terug. De reden? Elke ochtend vraagt Y2 om een kansberekening. ‘Misschien’ is voor haar niet concreet genoeg. De kans op buien was vandaag 60%, de kans op vertrek naar Frankrijk 70%. En 70% was blijkbaar ook voor mij plots iets heel anders dan misschien. 70% kans op huurders zoeken voor ons huis, op een volgeladen verhuiswagen richting Elzas, op kennis maken met de Franse bureaucratie, op dochters die zullen tieneren in een andere taal…

Ik maakte me geen zorgen vannacht, ik maakte mentale lijstjes. Wat er in huis hersteld moet worden voor we gaan, met wie ik zeker nog eens een toogbabbel wil doen, wat ik vooraf wil weggooien, weggeven, opslaan op de zolder van mijn ouders of zeker meenemen. Wie onze eetkamerschommelstoelen wil mag ze meteen komen halen.

De naaimachines en e-readers gaan zeker mee. Over de rest moeten we nog eens een nachtje slapen…

13 december 2015

When in doubt…run

We zijn ons ritme kwijt. Auto, moto, vliegtuig, raket. Afstanden worden kleiner, tussen steden, landen, planeten. En alles moet sneller. Sneller op je bestemming raken, sneller denken, sneller reageren, beslissen, een opinie hebben…

Misschien ligt het aan mijn weegschaal-aard maar mij lukt dat niet. Ik heb geen magnetron, niet in de keuken en niet in mijn hoofd. Ik hou van sudderen, van gerechten die de tijd krijgen om langzaam een heel huis met geuren te vullen en smaken te laten rijpen. Ik hou van wikken en wegen, medailles omdraaien tot je niet meer weet wat de keerzijde precies is. Ik hoef niet over alles een mening te hebben. Ik vorm ze wel, maar ik heb ze zelden. Want wat weet ik er uiteindelijk van? Wat weet ik er echt van?

We zijn ons ritme kwijt. Bed, bureaustoel, zetel. Afstanden worden groter, tussen mensen die vlakbij zijn.

Wandelen en lopen geven mij mijn ritme terug. Ik beweeg, het landschap beweegt en mijn gedachten bewegen mee. Precies wat ik vanochtend nodig had want ze waren aan het ijsberen, die gedachten, ze liepen in kringetjes en moesten nodig de benen strekken. Zouden we dat wel doen, vroegen ze zich af. Alles hier achterlaten, 5 jaar lang. De kinderen naar een andere school sturen, in een andere taal, in een ander land. Zouden we dat wel doen? Zo ver weg van vrienden en familie. Zouden we dat wel doen? Mijn werk opzeggen.

Wat een unieke kans, dachten ze ook. Samen een groot avontuur beleven. Nieuwe mensen ontmoeten. Waarom zouden we dat niet doen? De meisjes het geschenk van mogelijkheid geven, van ruimte, van meertalig en grenzeloos zijn. Waarom zouden we dat niet doen? Tijd hebben om te schrijven, te lopen, zelfs om opnieuw te gaan studeren…

Tijdens het lopen zie ik nog meer mogelijkheden, nog meer potentiële hindernissen. En toch wordt het rustig, want ik beweeg, in mijn ritme. En waar de volgende stap zal neerkomen, of het in W zal zijn of in S, dat hoef ik nu nog niet te weten. Ik laat het nog even sudderen.

1 december 2015