De meeste dagen geniet je van het onderweg zijn, maar er zijn ook wel eens dagen dat je aankomst het hoogtepunt van de dag is. Vandaag was het voor het eerst zo’n dag.
Tussen Vigo en Baiona liep de Camino over een drukke baan, in een park langs een drukke baan, door een bos, dicht genoeg bij een drukke baan om het geraas van de auto’s te blijven horen. Druk was dus een beetje het dagthema. Wegwijzers waren er niet en ondanks het feit dat het de Coastal route is, was er tot net voor aankomst geen zee te bespeuren. Ik begon me af te vragen of ik wel de juiste route had gekozen.
Tien kilometer voor Baiona zag ik in de verte een rugzak. Hij bewoog. Ik zette de achtervolging in want ik vermoedde dat er aan de rugzak een pelgrim hing. Sinds ik een week geleden aan deze omgekeerde camino begon, heb ik nog maar één richtinggenoot ontmoet. Zo’n kans moest dus gegrepen worden.
De spookpelgrims… Wie zijn ze? Wat doen ze? Wat drijft hen?
Lutz, uit Duitsland, had geen andere reden dan dat het hem wel wat leek. Prima reden. Het volgende uur werd keuvelend overbrugd. We wisselden telefoonnummers uit, hij stapte zijn hotel binnen en ik wandelde de laatste 3,6 km naar mijn hostel. Zee, strand, rotsen, en een kasteel, alle elementen waren er, en een stralende zon maakte het af. Maar de mooiste wandeling van de dag kwam er pas na de gebruikelijke aankomstroutine (schoenen uittrekken, gsm opladen, bed opmaken, douchen, kleren wassen), tijdens een bezoekje aan het kasteel, bovenop die hoge muren.
Klokslag 6.30 u kwam de albergue in Pontevedra tot leven. Wekkers gingen af, er werd gezucht, gepuft, gegeeuwd, getelefoneerd,… Er was veel lawaai zonder dat iemand echt in beweging leek te komen. Nu ik toch wakker was, leek het me het verstandigst om de treuzelende massa voor te zijn in de race naar de badkamer.
Herbergen schatten de sanitaire noden van hun gasten niet altijd goed in. Vaak heb je voor een 20-tal bedden maar één toilet en één douche. Op sommige plaatsen bevinden beide zich dan nog in dezelfde ruimte. Hier waren er twee van elk, maar de 50 bedden waren allemaal in gebruik en er sliepen zelfs pelgrims in de zetels.
Voor de zon op was, was ik de deur uit. Een hoofdlamp was niet nodig, er was voldoende straatverlichting. Stad uit, steenweg op, dorpsstraten in en tegen de tijd dat ik de eerste veldweg insloeg, kleurde de lucht zachtroze. Perfecte timing.
Zoals ik had verwacht, waren er ook vandaag ontzettend veel tegenliggers. De paaspelgrim is duidelijk een ras apart. Het is een sociaal dier dat zich liefst in groep verplaatst, met de hele familie, met een grote groep vrienden, of met een verenigingen in matchende T-shirts,… Ze maken ontzettend veel lawaai en in elke groep heb je wel een grapjas van dienst. Al van ver herken je hem, hij geeft zijn buurman een elleboogstootje, knipoogt en begint alvast te grijnzen voor hij me zegt dat Santiago de andere kant op is. Ik gun hem zijn moment, wens de groep een “Buen Camino” en loop door tot ik door de volgende groep wordt ‘tegengehouden’.
Het landschap was prachtig en zelfs de prullaria-kraampjes die overal plots opdoken, konden het wandelplezier niet verstoren.
Op de middag kwam ik toe in Redondela, zocht wat verkoeling in een taverne en na een hapje en een drankje zwaaide ik mijn rugzak opnieuw op de rug om de tweede etappe te starten, met iets minder enthousiasme dan anders. Het was te warm, mijn voeten hadden er geen zin in en het hielp niet dat er rijen pelgrims voor de herbergen stonden aan te schuiven. Voor hen zat de dag er op. Tijdens de beklimming om de stad te verlaten, vroeg ik me af waar ik aan begonnen was. Waarom niet rechtsomkeer maken en in Redondela overnachten? Omdat ik besloten had tot in Vigo te gaan. Daarom. Dus klom ik verder. Een half uur later had ik er geen spijt meer van. Huizen hadden plaatsgemaakt voor bomen, beton voor een zacht verend bospad. De vermoeidheid die de stad over me heen had geworpen was meteen weg.
Met het verlaten van Redondela was ik niet alleen aan een nieuwe etappe begonnen maar ook aan een andere camino. Dé camino bestaat immers niet, het is een netwerk van wegen die allemaal naar Santiago leiden. In Redondela komen er twee routes samen, de Coastal en de Central. Om voor wat afwisseling te zorgen zou ik deze keer de Coastal volgen. Het verschil was meteen merkbaar, véél minder pelgrims en véél minder wegwijzers.
De camino heeft er een handje van weg om alles overhoop te gooien zodra je je wat te comfortabel begint te voelen onderweg. De afgelopen twee dagen stond er bij elke kruispunt een blauwe pijl. Ik begon er dus op te vertrouwen dat zij me probleemloos tot in Fatima zouden brengen. Niet dus… Waarschijnlijk loopt de ‘officiële’ Camino de Fatima langs de Central. Gelukkig is er de app Buen Camino en Google maps.
Af en toe kon ik tussen de bomen een glimp opvangen van de zee. Prachtig! Ik keek er al naar uit om daar beneden te staan. Op naar Vigo! Maar het nadeel met grote steden is dat je ze uren van tevoren al ziet en dat je dan een lelijke, drukke stadsrand door moet. Tegen dat ik in mijn hostel was, had ik het gehad met Vigo. Liefst van al was ik er in een grote boog omheen gelopen. Ik zet vandaag geen stap meer, wist ik wel zeker. Vigo kon me gestolen worden. Maar na een douche toch nog slippers aan en even de deur uit… Beoordeel nooit een stad aan zijn buitenwijken. Vigo is nog steeds niet mijn lievelingsstad, maar ze heeft absoluut haar charmes.
Wat er in een herberg aanwezig is, hangt af van plaats tot plaats en staat niet persé in verhouding tot de prijs. Je krijgt sowieso altijd een bed met matras, logisch… Dat kan een stapelbed zijn of een eenpersoonsbed. In geval van stapelbedden kan dat met of zonder gordijn zijn. Gelukkig zijn ze zelden omgeven door lawaaierige golfplaten. Een kussen krijg je ook zowat overal. Tot hiertoe lag er steeds een pakketje klaar met een laken en een kussenhoes, vaak in papier, af en toe in katoen. Een tweede laken krijg je vrijwel nooit. Dekens zijn dan weer wel regelmatig beschikbaar en handdoeken eerder sporadisch. Je moet dus op verschillende scenario’s voorzien zijn.
Gisteren mocht mijn slaapzak voor het eerst uit de rugzak en vervolgens uit de bijgeleverde zak. Dat vroeg veel meer inspanning dan ik had verwacht. Er waren dus twee opties, ofwel had de tocht me véél meer uitgeput dan ik op het eerste zich had gedacht, een soort geniepige sluipuitputting, ofwel lag het aan het zakje. Of juister aan de hoeveelheid stof die was gebruikt in verhouding tot het volume van de opgevouwen slaapzak. Dat wil wel eens uit balans zijn. Trouwe lezers herinneren zich vast het tent-verhaal. Het probleem is dat die berekening wellicht was gebeurd na machinaal opvouwen en samenpersen. Als dat het geval was, hadden ze een dergelijke samenpersmachine moeten meeleveren want – het zal u niet verbazen – vanochtend kreeg ik de slaapzak zelfs na meerdere opvouwpogingen niet meer in de zak. Resultaat: iedereen om mee heen wakker door mijn slaapzakprobleem, want uiteraard maken ze die niet in fluisterstof. Ik ken iets van stoffen en ik kan je verzekeren dat ik in de loop der jaren nog niet één soort stof door mijn vingers heb voelen glijden die zo veel lawaai maakt als slaapzakzakjesstof. Waarom?! Dat moet toch moedwillig zijn.
Ik heb dan maar alles, zo stil mogelijk, bij elkaar gegrabbeld om in de keuken verder in te pakken. Toppunt: op dat zakje staat in grote letters compressiezak. Het is bijzonder moeilijk om iets te compresseren als je het er niet eens in krijgt…
Niet dat dit alles enige invloed had op mijn dag, het was weer heerlijk om onderweg te zijn. Net als gisteren kronkelde de weg tussen bossen en velden, over beken en langs mini watervallen.
Vrij snel na mijn start in Finisterre begon ik een patroon te ontdekken in mijn dagen. Geen tegenliggers tijdens het eerste wandeluur, wat meer in de latere ochtend, een piek tussen 13u en 14u en dan weer minder tot geen naarmate ik dichter bij mijn eindbestemming kwam. Vrij logisch als je weet dat de meeste pelgrims dezelfde etappes kiezen.
Vandaag was dat niet anders, op één ding na, het totaal aantal tegenliggers was meer dan vertienvoudigd. Als je met de stroom meegaat, zie je enkel wie voor, naast of net achter je loopt, maar als je in de andere richting gaat, zie je hoe groot die stroom werkelijk is. Dat zijn trouwens heel veel Buen Camino’s op een dag! Een snelle rekensom gaf me een mogelijke verklaring. Zaterdag, bij het begin van de paasvakantie, zijn waarschijnlijk heel wat mensen gestart om de laatste 100km naar Santiago te wandelen. Vandaag kruisten onze wegen, morgen wellicht ook nog en dan wordt het vast terug rustig. Deze paaspelgrims willen blijkbaar voor Goede Vrijdag Santiago bereiken.
Ik zou je nog kunnen vertellen hoe heel wat plaatsen herinneringen opriepen, aan mensen, maaltijden, net op het nippertje voorkomen rampen, lachbuien,… maar dat zou me te ver leiden. Het was bijzonder om opnieuw over deze weg te kunnen wandelen en verleden en heden in elkaar te laten overlopen. Morgen komt de overgang van gekend naar onbekend terrein. Van Pontevedra over Redondela tot in Vigo.
Camino-logica: Blij zijn als je ’s ochtends ontdekt dat het heeft gevroren, dan heb je tenminste niet voor niets een vestje en handschoenen in je rugzak gepropt. Een tweede keer blij zijn als je ze na een uurtje weer kan uittrekken.
Nog wat later werd de broek gehalveerd en na de middag moest zelfs de zonnehoed worden bovengehaald om migraine te voorkomen. Drie seizoenen in één dag. Had ik niet net geschreven dat ik me bij deze Camino niet hoef te haasten om de hitte voor te zijn? Typisch… Morgenochtend misschien toch iets minder lanterfanten.
De herberg waar ik de nacht had doorgebracht, was in Cruces, op 6,5 km van Padrón. Onderweg zag ik verrassend veel Spanjaarden die ook in die richting op wandel waren, geen pelgrims, daarvoor waren hun rugzakjes te klein. Het was me wel opgevallen dat velen een takje meedroegen maar daar had ik me niet echt vragen bij gesteld. Terwijl ik aan een fontein bij een kapel mijn drinkbus vulde, zag ik een dame een tak van een olijfboom afbreken. Toen ze merkte dat ze was betrapt, verontschuldigde ze zich – alsof het mijn boom was – en maakte zich snel uit de voeten. Nog steeds ging er geen belletje rinkelen. Zelfs niet toen ik in de velden net buiten Padrón rijen auto’s zag staan of toen het in de winkelstraten drukker bleek te zijn dan op de eerste dag van de solden. Pas wanneer ik de mensenmassa voor de kerk zag staan, wist ik hoe laat het was. Tijd voor de palmzondag-viering. Een echte pelgrim had dit moeten weten…
Kerk en commercie gaan ook hier hand in hand. De anders zo rustige promenade stond vol marktkramers die om ter luidst hun waren aanprezen. “Bijna niet van echt te onderscheiden Adidas! Een halen, twee betalen!”
Nog meer herrie en drukte op het plein voor de overdekte markthal, daar stonden kermisattracties en eetkraampjes. Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, is het herrie en drukte, maar vandaag vond ik het heerlijk. Ik was op de juiste plaats op het juiste moment. Palmzondag in Padrón. Kermis, jaarmarkt én hoogmis.
Voor meer details zal je het boek moeten lezen 😉 maar ik kan je nu al verklappen dat Joaquin een bijzonder moeilijke ochtend had.
Niet ver buiten Padrón keerde gelukkig de rust weer. Velden, bossen, beekjes,… heel veel groen en hier en daar een toefje wit. Kortom alweer een prachtige dag op de camino.
Elk seizoen heeft zo zijn geschenken op de Camino. In september waren het druiven, vijgen en kastanjes. Nu krijg ik regelmatig een sinaasappel aangeboden. Iets minder makkelijk om in je zak te stoppen en iets minder makkelijk om onderweg op te eten, maar wel heerlijk dorstlessend. Ook fijn zijn de bloemen. Per etappe lijkt één kleur te overheersen, alsof ze het in de dorpen hebben afgesproken. Gisteren was het geel, vandaag roze. Goed dat opsnuiven niet ‘op’ snuiven is, anders bleef er voor wie achter me kwam niets over van die zalige jasmijngeur.
Op mijn planning stond vandaag een tocht waar meestal twee dagen over wordt gedaan. Ik had weinig geslapen -de schuld van een Spaans koppel dat zowel wakker als slapend herrie voor tien maakte- toch zag ik het helemaal zitten. Het weer was perfect en de benen waren er klaar voor. Maar voor ik Santiago binnenliep, had ik er plots geen zin in. Niet in het gekrioel in die wirwar van straatjes, zeker niet in de doedelzakmuziek en al evenmin in de ontlading op het plein. Het voelde niet juist om daar tussen te wandelen. Ik kwam niet toe, ik passeerde enkel, daarom besloot ik prompt de pijlen niet meer te volgen en Santiago links te laten liggen. Geen souvenirwinkeltjes, restaurants of bars. Wel bossen, verrassend mooie dorpen en naar goeie gewoonte ook heel wat prachtige lelijkheid.
Ik genoot van mijn middagje camino-rebellie, vooral toen ik een restaurantje ontdekte dat vegan paella serveerde. Toch was ik ook nu weer blij toen ik de gele pijlen zag opduiken. Voor het eerst was er zelfs een blauwe waar ik niet naast kon kijken.
In de herberg heerst een vreemde sfeer. Voor alle anderen is het morgen dé dag. Ze zijn moe, blij en triest. Ze staan met één voet nog op deze weg en zijn met de andere al op weg naar huis.
Voor mij is het morgen gelukkig nog niet afgelopen. Fatima wordt mijn Santiago.
“Er staat je morgen een vervelende, saaie etappe te wachten,” zei een pelgrim me gisteren. Ze had naar eigen zeggen een baaldag. Te veel asfalt, te weinig te zien.
Vreemd, ik kon me niet herinneren dat er vervelende stukken Camino waren, toch niet tussen Porto en Finisterre. Had mijn geheugen een roze sausje over die hele tocht gegoten?
Buen Camino gaf haar in ieder geval op één punt gelijk, 2/3 van de afstand zou ik op straat wandelen.
Bij het verlaten van de herberg mocht ik meteen langs een bospad een heuvel op en voor die inspanning werd ik beloond met een prachtige view. 360° zo ver je kon zien niets dan groen, op een minuscuul strookje grijs na. Het viel enkel op als je recht naar beneden keek, want daar lag inderdaad asfalt. Ik geef toe, ik loop ook liever op andere paden, maar vervelend en saai zou ik het met een dergelijk uitzicht niet noemen. Het is maar waar je je op focust… Als je een hele dag haast geen huizen ziet, en bossen en weilanden elkaar voortdurend afwisselen, dan mag je niet klagen.
Over het weer viel trouwens ook niet te klagen. De dag begon bewolkt, maar tegen de middag was het aangenaam warm, al is dat natuurlijk relatief. Net op het ogenblik dat ik eraan begon te denken om mijn broekspijpen af te ritsen, kruiste ik pelgrims in muts en anorak. Wie meer objectieve weersinformatie wil… het bord bij een apotheek gaf aan dat het 19° was.
Nu ik het toch over de temperatuur heb… Vandaag besefte ik dat ik me deze Camino vrijer voel. Ik ben minder in de greep van de dictatuur van de gele pijl. Als ik ergens een mooi plekje zie, maak ik wel eens een omweg. Tegendraads op de omgekeerde camino. Meer nog dan vorige keer gaat het nu om onderweg zijn, niet om ergens toekomen. Dat het niet de eerste keer is en ik sowieso de pijlen niet echt volg, heeft er wellicht iets mee te maken, maar het ligt vooral aan de temperatuur, aan het verschil tussen aangenaam warm en smoorheet. Ik hoef niet meer bij langere tochten al voor zonsopgang te vertrekken om voor de ergste hitte ‘binnen’ te kunnen zijn. Geen haast, geen stress. Maar jammer genoeg ook geen vijgen en geen kastanjes.
Tenslotte de rubriek ‘the Camino provides’:
Net voor de deur van de herberg raakte gisteren een van mijn stokken klem in de opening van een duikerdeksel. Hij was snel weer los, maar het dopje was ik kwijt. De herbergier had geen reservedoppen, de aanwezige pelgrims al evenmin. Ik nam me dus voor om in Santiago een wandelstokkendopjeswinkel te zoeken en het tot die tijd zonder te doen. Niet zonder stok, wel zonder dop. De Camino is niet van dien aard dat stokken onontbeerlijk zijn, maar voor wie kraakbeen in een knie mist is die extra schokdemping is wel zo handig. Op het bospad viel dat doploos stappen wel mee maar op straat ergerde ik me mateloos aan het getik. Misschien vind ik er onderweg wel eentje, dacht ik. Je raadt het natuurlijk al, nog geen tien meter verder lag er een rode dop langs de kant van de weg. Het was niet de juiste maat, maar dat was snel opgelost en de rest van de dag was ik blij dat irritante geluid niet meer te horen.
Op de gewone camino moet je al heel erg je best doen om verloren te lopen. Een omgekeerde camino zou, naar verluidt, iets minder evident zijn.
Gisteren merkte ik daar weinig van. De weg wees een beetje zichzelf uit. Het hielp natuurlijk dat ik een groot deel van de tijd de kust kon volgen, maar ook uit het zicht van de zee ging het verrassend vlot. Er waren hier en daar blauwe pijlen (richting Fatima) en af en toe zelfs een gele met SC als toevoeging (Santiago de Compostela). Bovendien waren er ook de gewone pijltjes en palen om me de weg te wijzen. Niet door hun richting, wel door hun plaatsing bij kruispunten. Een pijltje aan de linkerkant, dan moest ik naar rechts. Makkelijk zat. De enkele keren dat er twijfel mogelijk was, kwam er toevallig telkens een pelgrim uit de andere richting. De camino wijst de weg.
Bevestigd in mijn uitzonderlijk richtingsgevoel verliet ik vanochtend de herberg zonder vooraf de weg te bestuderen. Ik had die omgekeerde camino immers onder de knie.
Hoogmoed komt voor de val…
Terwijl ik apps-gewijs keuvelde met de beste vriendinnen die een mens zich kan wensen, kwam er een man wild gebarend naar me toe.
Het was duidelijk dat hij dacht dat ik de verkeerde kant op liep, wat in mijn geval de juiste was.
“Santiago,” zei ik. Dat zou alles moeten verduidelijken.
“Si, si, Santiago,” zei hij gevolgd door wat aanwijzingen.
“Rechtsomkeer maken en de eerste straat rechts,” zeiden zijn gebaren.
Waarschijnlijk de pijl gemist door naar mijn schermpje te kijken, dacht ik. Dat kan de beste overkomen. Ik bedankte hem en volgde zijn instructies.
Een half uur later zag ik plots de zee. Aan de linkerkant! Dat kon niet kloppen. Mijn hoofd zei stop maar mijn benen liepen toch door tot aan het volgende kruispunt. Het kleurrijke gebouw op de hoek kwam me wel zéér bekend voor. Ik was er gisteren op weg naar mijn herberg voorbijgelopen. Nog eens een half uur later stond ik terug bij het startpunt. Als ik monopolie aan het spelen was, zou dat een goede zaak zijn geweest. Nu iets minder.
Google maps zette me op het juiste spoor, dacht ik, voor even. Vreemd genoeg kan je het soms voelen als je niet op de camino loopt. Er wringt dan iets. De mensen zijn minder vriendelijk, je ziet abnormaal lang geen pijlen en als een weg plots snelweg lijkt te worden, kan je wel zeker zijn.
De Buen camino app werd dus geopend en wat bleek…. ik liep inderdaad niet op de juiste weg, wel in de juiste richting. Niet het einde van de wereld…. (pun intended) Ik had geen zin om nog eens om te keren en besloot van deze wandeling te genieten, camino of geen camino. Snackpauze in een bushokje met de zoetste sinaasappel die ik ooit at. Enkele blaadjes verse munt in de drinkbus, even schudden en met een beetje fantasie had ik een mojito for the road. De dag plukken is zo makkelijk onderweg.
Zodra ik van Google de drukke baan mocht verruilen voor veldwegen met prachtige vergezichten kon mijn dag al helemaal niet meer stuk. Het werd er eentje van klimmen en dalen, van holle wegen, omwalde paden, kabbelende beekjes en open vlaktes waar de ijzige wind me vooruit joeg. Het werd er eentje van jas aan, jas uit of toch maar weer aan.
En plots was hij daar, de eerste pijl. Mijn glimlach werd zo mogelijk nog breder. Een pelgrimshand is gauw gevuld. Vanaf dan waren er weer tegenliggers met de bijhorende “buen camino”. Grappig dat sommigen er onmiddellijk van uitgingen dat zij in de verkeerde richting liepen.
Een caminofamilie opbouwen zit er deze keer niet in door mijn afwijkende richting. Toch heb ik geen enkele keer het gevoel gehad alleen onderweg te zijn. Vooral niet bij aankomst in een volle herberg zoals vandaag. Hopelijk zijn er geen snurkers in de zaal.
In een herberg slapen, was toch weer even wennen. Vooral omdat de stapelbedden langs drie zijden bekleed waren met golfplaten. Het geheel oogde bijzonder mooi, maar het oor wil ook wat ’s nachts – stilte – en dat kregen ze niet. De geringste beweging veroorzaakte een kletterconcert. Één persoon wakker, iedereen wakker, al heb je er altijd wel die door alles heen slapen. Jammer genoeg waren dat vannacht de snurkers in de kamer.
No problem, een beetje slapeloosheid hoort nu eenmaal bij de camino. Vanavond wordt dat wel goedgemaakt, ik heb een slaapzaal helemaal voor mezelf. Maar nu ben ik op de zaken vooruit aan het lopen…
Ik denk dat ik in een vorig leven een huisjesslak moet zijn geweest. Zodra ik vanochtend mijn rugzak over mijn schouder gooide, voelde dat als ‘thuis’. Soms besef je niet dat je iets mist, tot het er eindelijk wél is, dat heb ik met mijn Deuter. (Nee, dit bericht wordt niet gesponsord.) Hij zat meteen weer goed en mijn voeten leken onmiddellijk het perfecte ritme te pakken te hebben, alsof ik moeiteloos kon inpikken waar ik een half jaar geleden was gestopt. Om dat echt te kunnen doen, was er eerst nog een busrit nodig. Tweeëneenhalf uur, langs een kronkelende kustlijn, bergop, bergaf.
Ik schrijf onderweg wel een blogstukje, dacht ik voor vertrek, maar dat was buiten mijn maag gerekend, die had andere plannen.
Bij deze voel ik me dus verplicht iets recht te zetten. Ik dacht in september dat ik misselijk werd omdat ik toen vijf weken niet meer in een voertuig had gezeten. Het lag blijkbaar vooral aan de weg. In Finisterre kon ik niet snel genoeg die bus uit zijn om vaste grond onder mijn voeten te voelen en de berg te beklimmen naar het 0 km paaltje. Ik werd aangemoedigd door glunderende tegenliggers die me zeiden dat ik er bijna was, dat het eindpunt in zicht was. Wisten zij veel…
Halverwege begon het vechten tegen de wind en er had geen toepasselijker standbeeld kunnen staan.
Het meest bijzondere aan de klim was dat ik meteen merkte dat ik voor twee aan het kijken was, voor mezelf en voor Joaquin, het hoofdpersonage uit mijn verhaal. Ik voelde zijn vermoeidheid terwijl ik mijn innerlijke berggeit voelde ontwaken, ik berekende hoeveel keer de lengte van zijn huis in 3km zou gaan omdat dat zijn enige referentie is. Ik zag dingen die ik een half jaar geleden niet had gezien, omdat ik nu door zijn ogen naar de weg keek en terwijl hij uitgeput neerzakte bij het paaltje en wat tijd nodig had om op adem te komen, liep ik nog een stukje verder tot op het punt waar je niet meer verder kan. Ik voelde zoveel dankbaarheid, dat ik dit opnieuw mag beleven, hetzelfde en toch heel anders.
De rest van de dag was het heerlijk wandelen door vertrouwd gebied.
Hier hebben we gegeten, daar stonden we met onze voeten in het zand, hier zocht een man naar zijn hond…. Ik liep in het nu en toch ook een beetje in ‘toen’.
Dat hield op zodra het weer omsloeg. Eerst voelde het als lopen onder een vernevelmachine, best aangenaam, tot die fijne druppels dikker en talrijker werden en zelfs de meest positief ingestelde persoon op een bepaald ogenblik zou moeten toegeven dat een dergelijke ‘machine’ meer op een douche begon te lijken. De regenjas werd uitgehaald en vanaf dat ogenblik was het doorstappen om zo snel mogelijk in de herberg te zijn.
Daar zit ik dus nu, warm en droog, in een lege zaal, klaar om enkele uurtjes gemiste slaap in te halen. Slaap lekker!
Mijn rugzak was sinds september in een hoek van de slaapkamer blijven staan. Hij leek de weg naar de zolder maar niet te kunnen vinden. Haast alles zat er nog in: hoofdlampje, slaapzak, wasknijpers, regenjas, bestek, zakmes, … Enkel nog wat kleren en toiletartikelen en ik kon vertrekken.
Dat was waarschijnlijk de reden dat hij er de dag voor vertrek nog steeds zo stond, ongepakt, half ingezakt. De inhoud zat wel al in mijn hoofd. (Tijdens de vorige camino had ik immers niets bij dat niet gebruikt werd én ik had geen enkele keer het gevoel iets essentieels te missen.) Het was dus enkel nog een kwestie van het in die zak te krijgen. Tijd zat …
Mensen om me heen werden nerveus, maar ik voelde de pakdrang niet, meer nog, ik voelde de ‘camino’ niet. Niet dat ik er geen zin in had, het leek gewoon niet echt.
Procrastination is my middle name, maar maandagochtend kon zelfs ik het echt niet langer uitstellen. Een T-shirt, een short, twee slipjes, vier paar sokken, een sport-bh, een vestje, slippers, een mini handdoek, buff en klaar! Waar maakte iedereen zich toch druk om?
Oké, misschien toch nog niet klaar. Een toilettas met daarin een half blokje zeep, goed voor hoofd, haar en kleren, een tube tandpasta, ook gehalveerd (met ducttape weer afgesloten) en een tandenborstel (heel). Wat heeft een mens meer nodig onderweg? Niets toch.
Oh ja, nog wat electronica. Een waterdicht zakje met fototoestel, oplader en laadkabels… en daar liep het mis. De laadkabel voor mijn fototoestel was spoorloos. De lade werd leeggekieperd, je weet wel, die ene lade waarin je alles gooit wat je niet onmiddellijk nodig hebt en waar je nooit iets in terugvindt, de bermudadriehoek van elke keuken.
Een uitgebreid aanbod aan kabeltjes om uit te kiezen en niet één paste. Zelfs niet bij een tweede en derde poging. Dan maar naar de dichtstbijzijnde electrozaak. In de rekken hing niets bruikbaars.
“Geen paniek,” zei de winkelbediende. “De mogelijkheden zijn nog lang niet uitgeput.” Hij verdween en kwam terug met drie Curverboxen vol losse kabeltjes. Winkels beschikken blijkbaar ook over zo’n laadkabelkeukenlade.
Ondanks hun ruim aanbod ging ik veertig minuten later toch zonder kabel naar buiten.
“Als je het vroeger had ontdekt, hadden we er nog op tijd eentje kunnen bestellen.” Vrij vertaald… eigen schuld, dikke bult.
Ik besloot het fototoestel toch mee te nemen. Met een beetje geluk zou ik in de luchthaven alsnog een geschikt kabeltje kunnen vinden.
In Zaventem had ik dat beetje geluk niet. Bij de tussenlanding in Madrid misschien?
Een vriendelijke man bekeek de onderzijde van het toestel, draaide het vervolgens een kwartslag en opende een minuscuul klepje aan de zijkant. Terwijl hij dat deed, herinnerde ik me die handeling. Natuurlijk! Hoe had ik dat kunnen missen? Ik had een excuus, veel haast en bril niet opgezet. Maar hoe hadden al die anderen dat kunnen missen?!
Hoe dan ook, zonder het te weten had ik dus al die tijd de juiste kabel al bij. Ik bedankte de man en verdween met een rood hoofd.
Op dat ogenblik besefte ik dat er weldegelijk een goede reden bestaat om vroeger je koffers te pakken, om een dergelijke blunder te voorkomen.
Enkele uren later, in Santiago op weg naar de bagagecarrousel, zag ik dit op de grond en drong het plots door dat het echt was. Instant was het er, dat camino-gevoel. Geconditioneerd door de gele pijl…
Na de busrit richting centrum toch nog even langs de kathedraal en vervolgens een eerste stempel laten zetten om het nieuwe avontuur te laten bezegelen. Waar kan je dat voor een ‘omgekeerde’ camino beter laten doen dan in The last stamp…
Waarom ben je gestopt met schrijven? Wanneer komt het echte einde? Schrijf je niet meer? We missen je woorden bij het ontbijt. Vertel je niets over wat er na je camino komt? De vragen waren er, maar ik voelde geen antwoord opborrelen, tot vandaag.
Men zegt wel eens dat je camino pas echt begint zodra je terug thuis bent. Zo ver zou ik niet gaan. Hij begint dan niet, hij loopt gewoon door, want terwijl ik geloofde dat ik ‘gewoon’ de weg aan het wandelen was, kroop hij in mij en bij elke stap nestelde hij zich iets dieper. Dit ben ik, dacht ik na een poosje, dit wandelen, hier. Ik had het gevoel vrij te zijn ook al dicteerde de weg richting en ritme. Terug thuis waren er geen pijlen om me de weg te wijzen en ik liep wat verloren, in mijn eigen leven.
Het einde schrijven, betekende toegeven dat het gedaan was, maar zo voelde het niet. Het ik-wil-terug-gevoel groeide. Er werd gedroomd, over een andere route. De camino frances misschien? De primitivo? Of toch terug de camino portugués?
De knoop is doorgehakt. De kogel is door de kerk. Ik keer terug, terug naar het einde, en van het einde naar het begin, in achteruit, de cirkel rond. Waarom? Omdat ik moet. Omdat ik in Finisterre gevallen ben, voor een man. Ik zag hem niet op straat, wél in mijn hoofd. Hij woont in een dorp aan het eind van de wereld, waar alles draait om toekomen. Het is een eindpunt. Hoe vertrek je van een eindpunt? Wat is er voor nodig? Welke obstakels kom je tegen? Om daar achter te komen, moet ik terug en jullie mogen mee.
Dus ik hef het glas, een 43 -het laatste drankje dat we in Finisterre dronken- op een nieuwe camino, op Joaquín en Catalina, de mensen die ik komende maanden tot leven wil schrijven én op jullie, lieve lezers. Santé! Salud! Saúde!